Beschrijving en verantwoording bij de transcripties uit de nedergerechten van de grietenij Hennaarderadeel. 
Doelstelling. 
Het toegankelijk maken van de 16e eeuwse en oudste boeken van het nedergerecht van Hennaerderadeel voor een zo breed mogelijk publiek. Door de originele bronnen te digitaliseren en te transcriberen wordt het mogelijk met behulp van zoekprogramma’s onderzoek te doen. 
Het materiaal. 
De boeken uit het nedergerecht van Hennaerderadeel omvatten tussen de 200 en 450 folio’s elk, ofwel tussen de 400 en 900 pagina’s per deel. 
Elk deel beslaat een tiental jaren en bestaat uit achteraf, en niet altijd helemaal chronologisch, ingebonden katernen. Er zijn 7 proclamatieboeken en 3 weesboeken betreffende Hennaerderadeel in de 16e eeuw in het archief van het Trésoar te Leeuwarden aanwezig. 
De proclamatieboeken zijn handgeschreven boeken waarin de akten staan vermeld die 3 maal ‘om de kerk en over de waer of rechtstoel’ werden geproclameerd, ofwel omgeroepen. 
Op- of omgeroepen werden de koopakten van gronden, zaten, staten en huizen en de koop en verkoop van obligaties of renten en huwelijken. Verder werden belangstellenden opgeroepen op een bepaald moment aanwezig te zijn bij het bij opbod verkopen van onroerend goed ‘bij bernender keerse’. 
De proclamatieboeken bestaan voor ongeveer 20% uit deze omroepingen en voor de andere 80% uit het reces. 
Het reces bestaat uit het schriftelijke verslag van de lagere rechtspraak op grietenij niveau. Voor halszaken en hoger beroep ging men naar het Hof van Friesland. Lokaal werden zaken beslist zoals de verspieringen en niaarnemingen bij de aankoop van onroerend goed en renten. In de vroege 16e eeuw hebben veel rechtszaken betrekking op de precieze vaststelling van eigendomsrechten van gronden. Kleinere conflicten en ruzies worden ook in het nedergerecht behandeld en vinden we dus terug in het reces. 
Verspieringen zijn de rechten die men op bepaalde verkopen geregistreerd wilde hebben zoals b.v. het recht van overpad, renten die men trok uit de betreffende gronden, vaststelling van de eigendomsrechten van het verkochte enz. 
Het niaar is het recht dat men kon doen gelden om een al beklonken koop over te nemen. Dat voorkeursrecht kon men uitoefenen als men de naastleger was of familie van de verkoper of de houder van hypotheekrechten op het verkochte. 
Verkopingen werden driemaal omgeroepen. Bij de gewoonlijk twee wekelijkse samenkomsten in de kerk of waercamer moest de koopakte worden overlegd zodat deze ingezien kon worden door belanghebbenden die daarop de kans werden geboden verspieringen of niaarverzoeken aan te geven. 
De weesboeken bestaan uit prachtig geschreven en goed gedocumenteerde opsommingen van de roerende en onroerende goederen van de overledene met daarbij de beschrijving van de rechten van de erfgenamen en de aanstelling van voogden over de jongere kinderen. 
Ook al was er maar een van de ouders overleden dan werden de kinderen, jong of allang volwassen, wezen genoemd. Bij kinderen die nog niet tot ‘broekveste’ waren gekomen en die dus nog niet volwassen waren werden er voormonden of voogden aangewezen of zelfs geordineerd om de administratie te voeren en in het voordeel van de wezen te handelen en risico te mijden. Zij moesten daartoe hun eigen goederen tot onderpand stellen. 
Als er geen rechthebbende kinderen waren werden in deze akten de rechten van de erfgerechtigde familieleden vastgesteld. Het kon ook voorkomen dat familieleden erfrechten hadden naast de weeskinderen. 

De schrijvers of secretarissen. 
Het schrijfwerk werd in de 16e eeuw verricht door de ‘scriver’ of secretaris van het deel. De werkzame periode van een schrijver loopt niet synchroon met de boeken dus kunnen er meerdere schrijvers in een boek voorkomen. Het komt ook voor dat in meerdere boeken door dezelfde schrijver is geschreven. Er is nogal veel verschil tussen de verschillende schrijvers wat de leesbaarheid van het handschrift en de ordentelijkheid van noteren betreft. Een schrijver als Gaathije Pieters schrijft rond 1540 het meest prachtige, metrische schrift. De bladzijden zijn ware kunstwerken en op en top verzorgd. Door hem zijn ook een paar boeken geschreven die zich nu in het archief van Wommels bevinden en die de afspraken tussen de vijf delen over alle waterwerken en dijken betreffen. Daarentegen is een schrijver als Cornelius Nicolai eind 16e eeuw een ware opgave om te ontcijferen. Slordig en warrig geschreven. Gelukkig wel consequent slordig waardoor er na enige tijd bestuderen wel wat lijn in komt. Het mooiste handschrift is toch wel dat van Johannes Suffridi die in december 1592 de pen overneemt van Nicolai met als eerste de gekalligrafeerde woorden: In Nomine Domini Amen. 
Hoewel de schrijvers allemaal in een bepaalde periode werkzaam zijn en het schrift en taalgebruik niet heel erg verschilt, is er wel veel verschil in de wijze van noteren van de akten en in het gebruik van afkortingen. Zo zal de één alles afdoen in een paar zinnen en zal de ander uitgebreid verslag doen van het voorgevallene. Het schrift in de 16e eeuw staat vol met afkortingen en kan gedeeltelijk als steno worden gezien. Het gebruik van afkortingen is per schrijver nogal verschillend, hoewel ook daar wel een hoofdlijn in valt te ontdekken. Hierover later meer. 
De gebruikte inkt is niet altijd van dezelfde kwaliteit geweest. De inkt van een bepaalde samenstelling (galnoteninkt) kan het papier hebben aangetast en aangevreten. Als gevolg daarvan kan het schrijfwerk door het papier heen aan de achterzijde erg storend zichtbaar zijn. Het handschrift kan door de, achteraf verkeerde, inkt-keuze al erg vervaagd en moeilijk leesbaar zijn maar over het algemeen is het juist verassend scherp en goed bewaard gebleven. 

De boeken hebben ook flink geleden onder de tand des tijds en dat veroorzaakt in de hoeken en aan de randen van de boeken nogal eens tekstverlies. Er zijn veel sporen van waterschade en vraat terug te vinden. De kwaliteit van de boeken verschilt onderling enorm. Het is beslist niet zo dat de oudste boeken ook de slechtste zijn hoewel je de leeftijd er natuurlijk wel aan af kunt zien. De kwaliteit lijkt meer bepaald te zijn door de plek waar ze over de eeuwen heen op de boekenplank hebben gestaan. Het zal veel uitgemaakt hebben of een boek tegen een vochtige wand stond of precies onder een lek of dat het boek net wat gunstiger en droger stond, of misschien wel ergens anders werd bewaard. 
De boeken kunnen afgezien van hun waardevolle inhoud als ware kunstwerken worden gezien. 
Het papier zelf is, op de water- en vochtschade na, over het algemeen verassend goed bewaard gebleven. Ze zijn oorspronkelijk natuurlijk niet als kunstwerken bedoeld, maar zijn dat door hun ouderdom en prachtige schrift en taalgebruik in feite wel. Wat dat betreft is het een goede zaak dat de meeste boeken niet meer uitgeleend worden. Een aantal boeken is prachtig gerestaureerd doordat de hoeken en randen, om verdere verkruimeling van het papier tegen te gaan, ingewassen zijn met nieuw papier. De boeken zijn ook opnieuw ingebonden. Gelukkig beschikken we nu, anno 2012, wat Hennaerderadeel betreft, over uitstekende digitale hoge resolutie foto’s van het originele beeldmateriaal. Het beeld kan digitaal zodanig verbeterd worden dat het het origineel overtreft. 
Het gebruik van afkortingen 
Er werd veel geschreven en het is dan ook voor de hand liggend dat vaak voorkomende woorden werden afgekort. Hoewel elke schrijver zijn eigen afkortingen of methode van afkorten had, is er globaal wel een standaard wijze van afkorten aan te wijzen. 
Er zijn afkortingen voor bepaalde letters, voor gedeelten van woorden of van hele woorden. Meestal betreft een afkorting een precies te herleiden letter of groep van letters maar het komt ook voor dat een afkorting aan de hand van de grammaticale context herleidt moet worden. 
Methoden van notatie. 
Volgens de richtlijnen voor het uitgeven van historische bescheiden samengesteld in opdracht van het Nederlands Historisch Genootschap, 6e herziene druk, zijn er twee methoden van aanpak voor het noteren van afkortingen en daarnaast zijn er ook nog verschillende mengvormen hiervan. 
De eerste of de kritisch-normaliserende methode staat, uiteraard met eerbiediging van de integriteit van de tekst, een tamelijk grote mate van normalisering van de inwendig-formele kenmerken van de bron toe, terwijl de uitwendige kenmerken in principe buiten beschouwing worden gelaten. 
De tweede of diplomatische methode streeft naar een typografische weergave van de tekst in al zijn inwendige en uitwendige formele aspecten. Zij bewerkt dit door van normalisatie van lettervomen, leestekens en bladindeling af te zien, of de normalisatie daarvan althans tot het uiterste te beperken. 

Gekozen methode. 
In de voorliggende transcriptie van het eerste en oudste proclamatie- en recesboek van Hennaerderadeel (1528-1537), is gekozen voor een mengvorm van de hierboven genoemde methoden van notatie. Het uitgangspunt is geweest om, diplomatisch, zo dicht mogelijk bij het origineel te blijven en geen veranderingen aan te brengen in de interpunctie of in de romeinse cijfers. De lange en korte ‘s’ zijn beide als kleine ‘s’ overgenomen. Er zijn geen apostrofs toegevoegd of weggelaten. Woorden als ‘tnijaer’ zijn niet veranderd in ’t nijaer of sKeijzers niet in ’s Keijzers. De letter ‘u’ is als zodanig overgenomen en niet op de plaats van een medeklinker in een ‘v’ veranderd. Wel zijn alle eigennamen, plaats- en veldnamen, geschreven met een hoofdletter en is bijvoorbeeld ‘toestereijndt’ veranderd in ‘tOestereijndt’. 
De afkortingen vormden een uitdagend probleem op zich. In principe zijn alle afkortingen uitgeschreven zoals de schrijver dat op de onderhavige plaatsen zelf ook zou doen of zoals het schrift van de betreffende tijd dat vereist. Vanwege de enorme omvang van de tekst is het niet mogelijk gebleken om elke invulling van afkortingen met cursief schrift aan te geven. Uitzonderingen op het volledig uitschrijven zijn de woorden ‘voorschreven’ en ‘voornoemd’. ‘Voorschreven’ wordt in het bronmateriaal wel op vier verschillende manieren aangegeven: ‘voirs’, ‘voors’, ‘voers’of v.s.. De betekenis is natuurlijk in alle gevallen hetzelfde en de wijze van noteren verder irrelevant. Hoewel in de eerste versie van deze transcriptie de verschillende wijzen van noteren wel zijn opgenomen, is er toch voor gekozen om in deze publicatie, in alle voorkomende gevallen, te kiezen voor de afkorting ‘v.s.’ voor ‘voorscreuen’ en ‘v.n.’ voor ‘voornoemd’. Dit zal de leesbaarheid sterk verbeteren. 
De afkortingen voor munten, maten en gewichten zijn niet opgelost. Zo staan gg., cg., eg., hg., pg. en st. respectievelijk voor goud gulden, carolus gulden, enkel gulden, hoornties gulden, phillips gulden en stuiver. Als de eenheden in het bronmateriaal waren uitgeschreven, is dat als zodanig overgenomen. 
Aaneenschrijvingen en scheidingen van woorden is overgenomen zoals ze in de basistekst voorkomen. 
Tekstgedeelten geschreven in de kantlijn worden voorafgegaan door [iks] (In de Kantlijn Staat). 
Omissies in de originele tekst die met een ‘#’ zijn aangegeven en waarvan de toegevoegde tekst in de kantlijn staat, zijn in de transcriptie in de tekst tussen ‘#.....#’geplaatst. 
Duidelijke fouten in het origineel, zoals verschrijvingen of herhaalde woorden of ontbrekende woorden, zijn ongewijzigd overgenomen. Bij tekstverlies is gepoogd om tussen haakjes de ontbrekende letters of woorden op te lossen. Als dat niet mogelijk bleek is de tekst aangevuld met ‘-------‘. 
Er is nadrukkelijk voor gekozen om geen voetnoten of andere verwijzingen in de tekst te gebruiken. 
Disclaimer. 
Deze transcriptie is door mij als particulier en amateur gemaakt met het doel de onderliggende informatie toegankelijk te maken voor een ieder die dat maar mag interesseren. Ik ben geen deskundige op dit gebied noch pretendeer ik dat te zijn. Aan de informatie ontleend aan deze publicatie kan dan ook geen enkel recht worden ontleend. Gezien de grote hoeveelheid tekst is het onontkoombaar dat er fouten in zullen staan. 
Wanneer deze transcriptie of delen daarvan gebruikt worden voor publicatie of een ander wijze van verspreiding, dan is mijn geschreven toestemming vereist. 
Aanvullingen en adviezen stel ik zeer op prijs. Uiteindelijk komt dat ook anderen weer ten goede. 
Met dank aan Liuwe Westra voor zijn kundige invulling van de latijnse tekstgedeelten, aan Jan Post voor zijn onmisbare hulp, kennis en kunde bij het oplossen van de laatste onduidelijkheden in de brontekst van boek 36 en aan Jelle Miedema voor zijn aanwijzingen en correcties betreffende dit voorwoord. 
Paul Borghaerts
Easterein Maart 2012